Wat is Dalton?

Het Daltononderwijs is gebaseerd op de ideeën van de Amerikaanse pedagoge Helen Parkhurst (1886-1973). Tussen 1905 en 1913 gaf zij les op verschillende plattelandsscholen in Wisconsin.
Op deze kleine scholen gaf ze les aan grote groepen kinderen van verschillende leeftijden.

Helen Parkhurst verzette zich tegen het klassikale onderwijs dat ze zelf genoten had. Ze wilde dat haar onderwijs niet alleen effectief en efficient was, maar ook ‘levensechte ervaringen’ opleverde.
Kinderen kregen de verantwoordelijkheid voor een eigen taak. Strakke roosters werden afgeschaft en kinderen deelden zelf hun tijd in. Kinderen mochten samenwerken en elkaar helpen.

Deze drie principes, verantwoordelijkheid, zelfstandigheid en samenwerken vatte Helen Parkhurst samen in haar Daltonplan.
Helen Parkhurst zag haar Daltonplan niet als systeem of methode. Ze nodigde leerkrachten die haar Daltonplan omarmden uit om het aan te passen aan hun eigen onderwijspraktijk.

Het Daltononderwijs is nog steeds volop in beweging en het aantal daltonpijlers is in de loop van de tijd uitgegroeid van drie naar vijf. Naast de originele principes vrijheid en verantwoordelijkheid, zelfstandgheid en samenwerken, zijn reflectie en effectiviteit als pijlers toegevoegd. Deze vijf daltonpijlers zijn de uitgangspunten voor ons onderwijs.

Vrijheid en verantwoordelijkheid

Op de BVM willen we kinderen opvoeden tot zelfstandige, zelfverantwoordelijke mensen.
Anders gezegd: mensen die goed in staat zijn om, samen met anderen, te leven en te werken en daarbij de eigen verantwoordelijkheid dragen. Om dit te bereiken moeten de kinderen op school al oefenen in het maken van eigen keuzes. We geven ze deze mogelijkheid tijdens het werken aan de weektaak.
Kinderen hebben keuzevrijheid t.a.v. het kiezen van een werkplek, samenwerken of alleen werken, de volgorde van het verwerken van taken, het volgen van instructie en de hoeveelheid tijd die ze aan een taak besteden.
Met het bieden van meer vrijheid wordt ook de eigen verantwoordelijkheid van een kind groter.
Het kind moet zichzelf aansturen. Hij moet ervoor zorgen dat hij voor zichzelf de juiste keuzes maakt en de taken binnen de afgesproken tijd tot een goed einde brengt.

Het ene kind is beter in staat tot zelfsturing dan de ander. Het ene kind kan daardoor ook meer verantwoordelijkheid aan dan de ander. De geboden vrijheid is daarom niet voor iedereen hetzelfde.
Zo zijn er kinderen die zelf mogen kiezen of ze instructie willen volgen, maar ook kinderen die de instructie verplicht moeten volgen omdat ze de stof nog niet genoeg beheersen om deze zelfstandig te kunnen maken.
Er zijn kinderen die de vrijheid krijgen om buiten de klas te werken en kinderen die dat nog niet mogen omdat hun taakgerichtheid nog niet genoeg ontwikkeld is.

Bij het zelfstandig maken van keuzes, loopt het ook weleens anders dan de bedoeling was.
Wij zien dat als waardevolle leerervaringen.
Een kind heeft bijvoorbeeld gekozen om geen instructie te volgen, maar bij het nakijken blijkt dat hij veel fouten heeft gemaakt. De leerkracht bespreekt dan in een reflectiegesprek met het kind wat het doel van de taak was, of hij het doel heeft bereikt en hoe hij ervoor kan zorgen dat hij dit doel de volgende keer wel behaalt. Het kind wordt zich hierdoor bewust van verkeerde keuzes en neemt leerpunten mee voor de volgende keer.

De leerkracht heeft als taak om de vrijheid en verantwoordelijkheid die een kind krijgt, zo goed mogelijk af te stemmen op de mogelijkheden van het kind. Vervolgens wordt de ruimte iets vergroot. De leerkracht schenkt het kind het vertrouwen dat het met de extra ruimte om kan gaan en het kind krijgt de mogelijkheid om zijn vaardigheden, op het gebied van omgaan met vrijheid, te vergroten.
Zo werken we stap voor stap aan het ontwikkelen van de vrijheid en verantwoordelijkheid van kinderen.

Samenwerken

Om later goed in onze maatschappij te kunnen functioneren, moeten kinderen leren om samen te werken. Dat begint wat ons betreft al op school. Wij bieden kinderen een veilige omgeving waarin ze kunnen leren om voor zichzelf op te komen, grenzen te stellen, hulp te bieden en hulp aan te nemen, samen te werken en de eigen mening te uiten.

De leerkrachten werken bewust aan het creëren van een veilige groepssfeer. In de eerste weken van het schooljaar worden er veel momenten ingepland waarop kinderen (opnieuw) kennis met elkaar maken. Ook maken de leerkracht en de kinderen samen afspraken over hoe ze met elkaar om willen gaan, hoe ze willen werken en samenwerken. Vanuit deze sfeer van duidelijkheid en vertrouwen kunnen we de sociale en samenwerkingsvaardigheden van kinderen verder ontwikkelen.

Kinderen werken samen met school en de leerkracht.
De leerlingenraad is hier een voorbeeld van. Kinderen van de bovenbouw kunnen hieraan deelnemen en suggesties doen voor verbeteringen op school.
Kinderen werken verder samen met hun klas, hun groepje en hun maatje.
Een maatje is een klasgenoot waar het kind aan gekoppeld wordt. De maatjes werken bij samenwerktaken samen. Verder helpen ze elkaar met bv. het strikken van veters of het oplossen van een moeilijke opgave. De maatjes wisselen regelmatig. Een kind werkt in een schooljaar daardoor samen met iedereen: met vriendjes en vriendinnetjes, maar ook met kinderen die hij zelf niet zou kiezen.

Tijdens de instructies maken we, met het oog op samenwerkvaardigheden, gebruik van coöperatieve werkvormen. De kinderen werken in tweetallen of in kleine groepjes aan een gezamenlijk doel.
Elke leerling heeft binnen de opdracht zijn taak eigen waarvoor hij verantwoordelijk is. Alleen als iedereen zijn of haar eigen taak goed vervult, behaalt de groep als geheel het doel.
Een voorbeeld hiervan is de placemat. De kinderen werken in groepjes van vier.
Eerst schrijft elk kind op een hoek van het blad zijn antwoord op de vraag van de leerkracht. Vervolgens vertellen de kinderen elkaar wat ze hebben opgeschreven en overleggen ze wat hun gezamenlijke antwoord wordt.
De kinderen moeten bij verschillende oplossingen met elkaar overleggen wat het juiste antwoord is, elkaar overtuigen door uitleg te geven en tot slot samen een besluit nemen.

Samenwerken is niet alleen bedoeld om de sociale en samenwerkingsvaardigheden verder te ontwikkelen. Tijdens zelfstandig werken gebruiken we
samenwerken ook als effectieve manier van leren. Sommige lesstof, zoals bv. aardrijkskunde, wordt beter geleerd als kinderen dit samen doen. Ze praten samen over de les, als ze het oneens zijn gaan ze op zoek naar argumenten om hun standpunt te verdedigen en/of ze leggen de stof aan elkaar uit. Deze meer actieve manier van leren, leidt tot beter begrip van de leerstof.
Bij samenwerken kan er sprake zijn van niveauverschil tussen de kinderen.
Dit heeft voor beide leerlingen voordelen. De sterke leerling legt de stof op een andere manier aan zijn maatje uit en beheerst de stof daardoor nog beter. De leerling die de stof nog niet beheerst, krijgt individuele uitleg en hulp bij het maken van de les.

Zelfstandigheid

Zelfstandigheid is een belangrijk doel van ons Daltononderwijs.
We willen kinderen onafhankelijk maken. We willen ze leren om effectieve en verantwoorde keuzes te maken, doelgericht aan taken te werken, zelf problemen op te lossen en om hulp te vragen.
Zelfstandigheid ontwikkelen is in de eerste plaats een opvoedkundig doel, maar het is ook een manier om in de klas tijd vrij te maken voor afgestemde instructies.
Tijdens zelfstandig werken ontwikkelen de kinderen hun zelfstandigheid. Tegelijkertijd heeft de leerkracht zijn handen vrij om aan de instructietafel hulp te geven aan individuele of kleine groepjes kinderen.

Tijdens het zelfstandig werken moeten kinderen gemotiveerd zijn om hun taken te maken. Ze moeten immers zichzelf aan het werk houden.
Hier ligt een belangrijke taak voor de leerkracht. Een kind dat zijn eigen keuzes mag maken, vertrouwen heeft dat het de taak aankan en blij wordt van het leren, is een gemotiveerd kind.
De taak is daarom zoveel mogelijk op het kind afgestemd wat betreft niveau en daltonvaardigheden.
Het ene kind krijgt als uitdaging extra moeilijke rekensommen op zijn taak, terwijl het andere kind nog moeite met de basisstof heeft en juist minder sommen hoeft te maken.
Het ene kind mag zelf inschatten of het uitleg van de taak nodig heeft, terwijl de leerkracht bij een ander kind heeft aangegeven dat hij de instructie van een taak verplicht moet volgen.

Om de zelfstandigheid van kinderen te ontwikkelen doen we als leerkracht in veel gevallen bewust een stapje terug. We nemen minder de leiding en nemen meer de rol van coach aan.
We geven de kinderen feedback op hun zelfstandig werken en leren ze bijvoorbeeld om bij problemen eerst zelf na te denken of om de hulp van andere leerlingen te vragen.
Als er toch hulp van de leerkracht nodig is, dan heeft die hulp altijd als doel om de leerling weer zelfstandig verder te kunnen laten werken.
Lokalen zijn zo ingericht dat kinderen zelf hulpmiddelen kunnen pakken. Leerlingen die beter kunnen werken in stilte kunnen gebruikmaken van de stilteruimte, kinderen die graag samenwerken krijgen hiervoor de gelegenheid in de klas.

Welke manier van zelfstandig werken een kind ook kiest, bij alles geldt dat het daarbij rekening moet leren houden met de ander. Er zijn daarom duidelijke afspraken gemaakt m.b.t. opruimen, samenwerken en werken in de stilteruimte of op de gang.
Deze afspraken worden tijdens reflectiemomenten met elkaar besproken.

Reflectie

Met ons Daltononderwijs willen we bereiken dat kinderen zelfstandig en zelfverantwoordelijk worden. Daarvoor moet een kind zichzelf goed leren kennen, om van daaruit bewuste en verantwoorde keuzes te kunnen maken.
Reflectie is een middel om jezelf te leren kennen. Je houdt jezelf een spiegel voor.
Je denkt na over: wat kan ik, wat wil ik, waar wil ik aan werken, wat past bij mij?
Door het stellen van reflectievragen krijgen kinderen grip op hoe hun succeservaringen tot stand zijn gekomen. Daardoor zijn ze beter in staat verbeteringen in hun manier van werken te realiseren.
En ook voor de leerkracht leveren de reflectiegesprekken met een kind veel op. De leerkracht verzamelt zo waardevolle informatie over de kennis en mogelijkheden van een kind.

Reflecteren doen we op de BVM de hele dag.
Voorafgaand aan een taak: hoe ga ik dit aanpakken, wat heb ik nodig, wat wil ik leren?
Tijdens een taak: houd ik me aan mijn plan, moet ik mijn plan aanpassen?
Na een taak: is het gelukt, waar ben ik trots op, wat wil ik de volgende keer anders doen?

Reflecteren moet je leren. Daarom oefenen we het veel. Tijdens individuele gesprekjes tussen het kind en de leerkracht, op de taakbrief, in gesprekken met maatjes of het tafelgroepje en tijdens klassikale gesprekken. Kinderen laten zien waar ze trots op zijn, geven zichzelf en elkaar feedback op hun werk en (leer)gedrag.

Niet alleen de kinderen, maar ook de leerkrachten zelf reflecteren om tot verbeteringen te komen. De leerkrachten gaan met elkaar in gesprek over knelpunten en delen hun succeservaringen. We gaan bij elkaar op klassenbezoek om inspiratie op te doen en van elkaar te leren.
Ook feedback van kinderen en ouders nemen we mee in de reflectie op ons onderwijs. Zo zorgen we als team dat het onderwijs steeds beter op onze leerlingen wordt afgestemd.

Effectiviteit

Ons daltononderwijs is effectief. We geven ons onderwijs zo vorm, dat elk kind via de kortst mogelijke route zijn doelen bereikt.
De doelen die we stellen zijn doelen op het gebied van rekenen, taal en sociale vaardigheden, maar ook zogeheten daltondoelen. Dit zijn bredere doelen op het gebied van zelfstandigheid, vrijheid en verantwoordelijkheid, samenwerken en reflectie.
De kortste mogelijke route realiseren we door ons onderwijs optimaal op een kind af te stemmen en goed te organiseren.

Voor het optimaal afstemmen van ons onderwijs is het allereerst nodig dat een leerkracht inzicht heeft in de kennis en mogelijkheden van een kind. Met behulp van toetsen, observaties en reflectiegesprekken verzamelt de leerkracht informatie over een kind.
Aan de hand van deze informatie bepaalt de leerkracht wat de verschillende onderwijsbehoeften van het kind zijn en wordt hij bij elk vak in de voor hem juiste instructiegroep ingedeeld.

We hanteren maximaal vier instructiegroepen; de basisinstructiegroep, de verlengde instructiegroep, de verkorte instructiegroep en kinderen met een eigen leerlijn.
Kinderen uit de basisinstructiegroep, krijgen de normale instructie van de leerkracht. Kinderen uit de verlengde instructiegroep doen mee aan de normale instructie en krijgen daarnaast nog extra instructie aan de instructietafel waarin de lesstof nogmaals wordt uitgelegd.
Kinderen uit de verkorte instructiegroep krijgen een korte startinstructie en mogen daarna zelfstandig aan het werk. Zij krijgen de vrijheid en verantwoordelijkheid om zelf te bepalen of ze nog extra uitleg bij een opdracht nodig hebben. Is dat nodig, dan doen ze mee met de normale instructie. Is de lesstof duidelijk dan gaan ze zelfstandig aan het werk.
Kinderen met een eigen leerlijn volgen een heel eigen lesprogramma en krijgen waar nodig hun eigen instructie. Dit kan bijvoorbeeld door voor de instructie in een andere jaargroep aan te sluiten. Ook kan er soms instructie buiten de groep gerealiseerd worden.
Omdat bij het indelen in instructiegroepen niet naar toetsresultaten alleen wordt gekeken, kan het zijn dat een kind ondanks heel goede toetsresultaten toch bij de basisinstructie wordt ingedeeld.
Een kind dat in de verkorte instructie wordt ingedeeld moet immers niet alleen goed kunnen rekenen of spellen, maar ook in staat zijn zijn eigen kunnen in te schatten en zelfstandig te werken.

Effectiviteit is bij ons ook terug te zien in de organisatie van het onderwijs. Leerkrachten werken zoveel mogelijk samen, zoals bijvoorbeeld bij het horizontaal rekenen.
De groepen 4 t/m 8 rekenen allemaal tussen 9.00 en 10.00 uur. Dit maakt het mogelijk om leerlingen uit te wisselen. Kinderen die een eigen leerlijn volgen omdat ze een jaargroep hoger kunnen rekenen, sluiten een groep hoger aan voor de rekeninstructie. Kinderen die een eigen leerlijn volgen omdat ze juist de rekenstof van een leerjaar lager maken, sluiten in die groep aan voor instructie.
Het horizontaal rekenen heeft tot gevolg dat sommige kinderen in groep 8 alle lesstof al doorlopen hebben. Deze kinderen krijgen verbredingsstof aangeboden, bijvoorbeeld m.b.v. de wisschriften van Vierkant voor Wiskunde.

Ook de weektaak is een middel om ons onderwijs zo effectief mogelijk te maken.
Elk kind krijgt een taak op maat aangeboden, passend bij het niveau het kind.
Ook de zelfstandigheid en vrijheid en verantwoordelijkheid binnen de taak wordt afgestemd op het kind. Kinderen die dat nodig hebben moeten de spellingopdrachten direct na de spellinginstructie inplannen en kinderen die dat aankunnen mogen zelf een moment in de week kiezen om de spellingles te maken.
Daarnaast maakt het werken met de weektaak het voor een kind mogelijk om zo goed mogelijk met zijn werktijd om te gaan. Loopt een kind met een opdracht vast, dan kan hij het werk even wegleggen en iets anders gaan doen. Dit geeft hem de gelegenheid om er later weer met een frisse blik naar te kunnen kijken of hulp in te roepen van de leerkracht, zonder dat er werktijd verloren gaat.

     Burg. van Mierloschool is onderdeel van Stichting Nuwelijn - Gilze Rijen